Umberto Eco werd eens gevraagd om een lezing te houden over de ideale bibliotheek. Geïnspireerd door alle bibliotheken die hij in de loop der jaren had bezocht, kwam hij echter met een negatiefmodel van de bibliotheek, een bibliotheek die alle pogingen van de bezoeker om het gewenste boek tot zich te nemen frustreert: een nachtmerriebibliotheek. Eco beschreef deze bibliotheek aan de hand van 19 criteria, waaronder bijvoorbeeld:
D. Er moet veel tijd liggen tussen aanvraag en ontvangst [van de boeken].
H. De bibliothecaris moet de lezer beschouwen als een vijand, leegloper (anders was hij wel aan het werk) en een potentiële dief.
N. De openingstijden vallen op wens van de vakbonden precies in werktijd: gesloten op zaterdag, zondag, ’s avonds en tussen de middag.1
Hoewel de lezing al in 1981 plaatsvond en de tekst inmiddels enigszins gedateerd is, blijft de beschrijving van de nachtmerriebibliotheek ook in 2026 nog pijnlijk herkenbaar. Zo zijn er nog altijd bibliotheken waar je een paar uur, of zelfs een dag moet wachten als je een boek aanvraagt dat in het depot ligt. En soms sta je al tegenover de bewaking nog voor je een boek hebt gezien. Maar wat misschien nog wel erger is, is dat ik 35 jaar nadat Eco zijn lezing hield, moet constateren dat ik op grond van mijn eigen ervaringen zelfs een tweetal punten weet toe te voegen aan zijn model van de slechte bibliotheek!
In de zomer van 2006 werd ik gevraagd om samen met historica Annemarie Lavèn een boekje te schrijven voor de Week van de Geschiedenis.2 Door omstandigheden kende de opdracht een moordende deadline: we hadden slechts een paar maanden de tijd voor de tekst bij de drukker moest liggen. Enthousiast stapte ik naar de Letterenbibliotheek van de Universiteit Utrecht en wat bleek: niet alleen waren de toch al beperkte openingstijden nog verder beperkt wegens de zomervakantie, maar tevens waren verschillende afdelingen wekenlang gesloten wegens herordening van de boeken. De moed zonk mij in de schoenen. Dat het boekje uiteindelijk toch is afgekomen, komt vooral doordat ik enkele briefjes met “verboden toegang” over het hoofd heb gezien (geheel per ongeluk, natuurlijk). Naar aanleiding van deze ervaring stel ik voor de volgende aanvullingen op te nemen in Eco’s negatieve model voor de ideale bibliotheek:
N. De openingstijden… etc. Bovendien worden de openingstijden gedurende de zomermaanden nog verder beperkt.
S. Verschillende afdelingen van de bibliotheek moeten wekenlang volledig gesloten zijn in verband met het hercoderen en herordenen van de boeken.
Hoewel Eco in zijn lezing zegt geen utopie van de ideale bibliotheek te willen schetsen, omdat hij niet weet “wanneer en hoe die verwezenlijkt zou moeten worden”, heeft hij in zijn fictiewerk wel een imaginaire bibliotheek geschapen: de middeleeuwse bibliotheek uit De naam van de roos. Zou deze imaginaire bibliotheek in een niet nader genoemde veertiende eeuwse Noord-Italiaanse abdij soms Eco’s ideale bibliotheek verbeelden? In de vele naschriften in de door mij gelezen editie laat hij daar niets over los. De bibliotheek is verboden terrein voor de hoofdpersonen van het boek, de franciscaner monnik William van Baskerville en de novice Adson van Melk. Ze verschaffen zichzelf stiekem toegang en ontdekken dan dat de bibliotheek een groot labyrint is: een perfect geometrisch doolhof.
De bibliotheek is ontstaan volgens een plan dat door de eeuwen heen voor iedereen verborgen is gebleven en dat geen van de monniken geroepen is te kennen. Alleen de bibliothecaris heeft het geheim ervan ontvangen van de bibliothecaris die hem voorafging, en hij deelt het nog bij zijn leven mee aan de hulpbibliothecaris, opdat, wanneer de dood hem verrast, de gemeenschap niet van die kennis worde verstoken. En de lippen van beide zijn door het geheim verzegeld.3
De bibliothecaris die als enige de sleutel tot het doolhof kent is een oude blinde man genaamd Jorge. Eco maakte zijn bibliothecaris blind omdat dat hem een goed narratief idee leek. Vervolgens kon die blinde man natuurlijk alleen maar Jorge heten, naar Jorge Luis Borges. Waarom Eco zijn bibliotheek als doolhof verbeeldde, legt hij uit in het naschrift “De metafysica van de misdaadroman”. Hij ziet een detectiveroman als een verhaal gebaseerd op gissingen en het doolhof als een abstract systeem van gissingen.
Natuurlijk is Eco voor het idee van een labyrintische bibliotheek schatplichtig aan Jorge Luis Borges en diens verhaal De Bibliotheek van Babel. De bibliotheek van Babel is een onmetelijke wereld van geometrische regelmaat. Een oneindig(?) aantal zeshoekige gallerijen bevat een vast aantal planken met een vast aantal gelijkvormige boeken. Maar de letters op de ruggen van de boeken geven geen aanwijzingen over de inhoud en de inhoud zelf is onsamenhangend, een letterlabyrint. Maar een geniale bibliothecaris merkte dat
…alle boeken, hoe verschillend ze ook zijn, uit gelijke elementen bestaan: de ruimte, de punt, de komma, de tweeëntwintig letters van het alfabet. Ook voerde hij een feit aan dat alle reizigers hebben bevestigd: Er zijn, in de ontzaglijke Bibliotheek, geen twee boeken gelijk. Uit die onomstotelijke premissen leidde hij af dat de Bibliotheek alomvattend is en dat op haar boekenplanken alle mogelijke combinaties te vinden zijn van de twintig-en-zoveel orthografische symbolen (een weliswaar gigantisch maar niet oneindig aantal) ofte wel alles wat maar uit te drukken valt: in alle talen.4
Wellicht is dit beroemde verhaal ook een inspiratiebron geweest voor Terry Pratchett, auteur van de bekende Schijfwereldserie. Op zijn imaginaire platte wereld bestaat een universiteit voor tovenaars en natuurlijk heeft die universiteit ook een bibliotheek. Pratchett heeft een heel interessante theorie over de labyrinthische eigenschap van bibliotheken:
Even big collections of ordinary books distort space and time, as can readily be proved by anyone who has been round a really old-fashioned second-hand bookshop, one of those that has more staircases than storeys and those rows of shelves that end in little doors that are surely too small for a full sized human to enter.
The relevant equation is Knowledge = Power = Energy = Matter = Mass. […] All libraries everywhere are connected in L-space by the bookwormholes created by the strong space-time distortions found in any large collection of books. Only a very few librarians learn the secret, and there are inflexible rules about making use of the fact – because it amounts to time travel. The three rules of the Librarians of Time and Space are: (1) Silence; (2) Books must be returned no later than the last date shown, and (3) The nature of causality must not be interfered with.5
Het idee van een labyrintische bibliotheek komt in nog meer romans voor. Neem bijvoorbeeld de bestseller De Schaduw van de Wind van Carlos Ruiz Zafón. Aan het begin van dit boek neemt een vader zijn zoon mee naar een eeuwenoude geheime bibliotheek:
“Welcome to the Cemetary of Forgotten Books, Daniel” […] “This is a place of mystery, Daniel, a sanctuary. Every book, every volume you see here, has a soul. The soul of the person who wrote it and of those who read it and lived and dreamed with it. Everytime a book changes hands, everytime someone runs his eyes down its pages, its spirit grows and strenghtens. This place was already ancient when my father brought me here for the first time, many years ago. Perhaps as old as the city itself. Nobody knows for certain how long it has existed, or who created it. I will tell you what my father told me, though. When a library disappears, or a bookshop closes down, when a book is consigned to oblivion, those of us who know this place, its guardians, make sure that it gets here. In this place, books no longer remembered by anyone, books that are lost in time, live forever, waiting for the day when they will reach a new reader’s hands.”6
Natuurlijk: alle labyrintische bibliotheken uit de literatuur zijn schatplichtig aan Borges (direct of indirect), maar schrijvers kiezen dit motief niet uit als eerbetoon aan Borges. Het is het motief zélf dat hen trekt. Waarom precies? Waarom stellen schrijvers hun bibliotheken voor als doolhoven? Het is natuurlijk een heel goed narratief idee, dat inderdaad uitstekend past in het detectivegenre, zoals Eco zegt. Maar volgens mij schuilt er meer achter.
Zelf creëerde ik ook ooit een imaginaire bibliotheek: de Nachtbibliotheek (beschreven in het nimmer te publiceren Het Einde van de Eeuwige Chaos). De Nachtbibliotheek is op het eerste gezicht helemaal geen labyrint, want verdwalen kun je er niet. De bibliotheek is niet groter dan een flinke kamer. Bovendien heb ik er destijds een plattegrond van gemaakt:

De smalle rechthoeken met verticale streepjes verbeelden de boekenkasten. Maar de streepjes geven geen aanwijzingen over de titels die in de kasten te vinden zijn. En net als in de bibliotheek van Babel (die ik destijds nog niet kende!) is er geen catalogus, geen zoekmachine, geen kaartenbaksysteem. En misschien is dat wel hetgeen waarin een imaginaire bibliotheek zich onderscheidt van een werkelijk bestaande bibliotheek.
Werkelijk bestaande bibliotheken zijn ingericht op zoekvragen. De bezoeker zoekt een boek en de hele indeling van de bibliotheek en de dienstverlening door het personeel is erop gericht om de bezoeker te helpen met zoeken. Je kunt er alfabetisch zoeken, thematisch, geografisch, chronologisch of op taalgebied. Maar soms heb je geen concrete zoekvraag, meer een halfbewust knagend verlangen naar iets wat je niet concreet kunt omschrijven. Soms wil je bijvoorbeeld iets geheimzinnigs, iets duisters. Typ het woord “duisternis” in in een zoekmachine van een bibliotheek en je vindt een hele lijst met boeken waar het woord “duisternis” in de titel zit: vooral thrillers, literaire romans en esoterische boeken. Maar wat nu als je niet zozeer een boek over duisternis zoekt, als wel een heel duister boek? Als je niet precies weet wat je zoekt, zul je moeite hebben het te vinden. Talloze keren ben ik naar de bibliotheek gegaan en met lege handen thuis gekomen, omdat ik niets vond. Die keren dat ik wel iets vond zonder dat ik me geheel bewust was van wat ik zocht, speelde het toeval een grote rol. Dan keek ik bijvoorbeeld in de kast bij de boeken van een auteur die ik kende, maar waar ik op dat moment toch niet echt zin in had, en dan viel mijn oog ineens op een interessant boek in de kast ernaast. Het was een titel die ik niet kende, van een auteur die ik niet kende. En de enige verklaring voor het feit dat ik dat boek gevonden had, was dat ik bij een auteur met beginletter L was gaan kijken en deze auteur toevallig beginletter M had en in de kast ernaast stond. Had de bibliotheek een gesloten opstelling gehad of had ik alleen in het computerzoeksysteem gekeken, dan was het vrijwel onmogelijk geweest om bij toeval het boek te vinden waarvan ik me niet bewust was dat ik het zocht. In gesloten opstellingen en in computersystemen is de rol van het toeval vrijwel uitgesloten. Umberto Eco beschrijft dit principe in zijn lezing als volgt:
De ideale bibliotheek is dus een soort stalletje van de bouquiniste, een plek waar je trouvailles doet, en die functie is alleen mogelijk door vrije toegang tot de rijen boekenkasten.7
In tegenstelling tot de bibliothecarissen van onze bestaande bibliotheken, weten schrijvers maar al te goed wat hoe belangrijk de rol van het toeval is. Zelf als ze zich er niet van bewust zijn. Daarom richten zij hun imaginaire bibliotheken in als doolhoven. In een doolhof is zoeken onmogelijk en daardoor lukt het vinden des te beter!
- Umberto Eco, De bibliotheek. Vertaald door Martine Vosmaer. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1988, p. 13-15. ↩︎
- Frederiekje de Jongh en Annemarie Lavèn, Toverrecepten uit de Middeleeuwen. Veen Magazines, Diemen 2006. ↩︎
- Umberto Eco, De naam van de roos. Nederlandse vertaling door Jenny Tuin, Pietha de Voogd en Henny Vlot. Uitgeverij Ooievaar, 40ste druk, Amsterdam 1998, p. 45. ↩︎
- Jorge Luis Borges, “De Bibliotheek van Babel”. In: Jorge Luis Borges, De Aleph en andere verhalen. Nederlandse vertaling door Barber van de Pol. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2003, p. 163. De cursivering is van de hand van de Nederlandse uitgever. ↩︎
- Terry Pratchett & Stephen Briggs, The new Discworld companion. The fully revised and updated new reference book to all things Discworldian. Victor Gollancz Ltd, herziene paperback editie, Londen 2004. Zie: “Libraries, nature of”, p. 225. ↩︎
- Carlos Ruiz Zafón , The shadow of the Wind. Engelse vertaling door Lucia Graves. Phoenix, paperback editie, Londen 2004, p. 3-4. ↩︎
- Umberto Eco, De bibliotheek, p. 21. ↩︎
NB: De bibliotheek waarin je je nu bevindt, de Zolderbibliotheek van het Deurloos Museum, is in het geheel niet werkelijk, doch ook niet geheel imaginair. Om de bezoeker die de voorkeur geeft aan een werkelijke bibliotheek tegemoet te komen, beschikt de Zolderbibliotheek over een auteurscatalogus. Wie echter bereid is zich over te geven aan het toeval, kan gebruikmaken van de analogische vindmachine.